|
(dit en dat) (bu ve o)
Voorbeelden:
Enkelvoud Tekil
-dit is de man -dat is de man -dit is de vrouw -dat is de vrouw -dit is de straat -dat is de straat -dit is het huis -dat is het huis
Meervoud Cogul
-dit zijn de vrouwen -dat zijn de vrouwen -dit zijn de mannen -dat zijn de mannen -dit zijn de straten -dat zijn de straten -dit zijn de huizen -dat zijn de huizen
Er bestaan nog meer aanwijzende voornaamwoorden: deze, die, zulke, dergelijke, zoiets, zo’n en het bijna in onbruik geraakte woord gindse.
-Dat is de straat waar Simon woont. -Ik wil zo’n vaas bestellen. -Ik maak ook zulke schilderijen
Aanwijzende voornaamwoorden als lidwoorden
Als iets of iemand dichtbij is, gebruik je # dit om het te vervangen. # deze om de te vervangen.
Als je iets of iemand in de verte ziet, gebruik je # dat om het te vervangen. # die om de te vervangen.
Eerst bepalen we het bepaald lidwoord van het zelfstandig naamwoord. Dat kan de of het zijn.
-het meisje -de jongen -de weg -het verkeersbord -de verkeersborden
Daarna vervangen we het lidwoord door dit, dat, deze of die.
-dit meisje -dat meisje -deze jongen -die jongen -deze weg -die weg -dit verkeersbord -dat verkeersbord -deze verkeersborden -die verkeersborden
In het enkelvoud gebruik je dit, dat, deze en die.
-deze man -die man -deze vrouw -die vrouw -deze straat -die straat -dit huis -dat huis -dit gevoel -dat gevoel
Gebruik die en deze in het meervoud, maar dit en dat niet.
-deze vrouwen -die vrouwen -deze mannen -die mannen -deze straten -die straten -deze huizen -die huizen -deze lange vrouw -die lange man -dat lange meisje -dit lange meisje -Deze is nog op slot. -Die is open. -Dezelfde zinnen met een zelfstandig naamwoord zien er zo uit: -Deze schuur is nog op slot. -Die doos is open.
Betrekkelijke voornaamwoorden
Een betrekkelijk voornaamwoord wordt in een bijzin gebruikt. Een bijzin is een zin die deel uitmaakt van een langere zin.
# Als de het bepaald lidwoord van een zelfstandig naamwoord is, gebruiken we die. # Als het het bepaald lidwoord is, gebruiken we dat. # Als het onderwerp niet gemakkelijk is aan te geven, gebruiken we wat. # Als het onderwerp een persoon is, gebruiken we wie na een voorzetsel. # Als het onderwerp een persoon is, gebruiken we wie als het voorzetsel aan kan worden toegevoegd.
De volgende twee zinnen beginnen hetzelfde. De tweede heeft een bijzin die met die begint.
-Ik ken alle boeken. -Ik ken alle boeken die jij me gegeven hebt.
Voorbeelden:
-De tafel die je ziet, wordt verkocht. -Het boek dat ik lees, gaat over Nederland. -Bedankt voor alles wat je voor me gedaan hebt. -De vrouw voor wie ik boodschappen doe, woont hier. -De koffer die je hebt gekocht, is niet zwaar. -Het bedrijf dat jij noemt, ken ik niet. -Dat is iemand die je kunt vertrouwen. -Dat is het laatste wat ik vandaag doe. -Dat is iets wat ik niet kan. -Mijn zus, die ik gebeld heb, is het ermee eens. -Dat is haar tante, (aan) wie ze alles heeft verteld.
_________________ -Sinavi kazandim=2009-04 -Vizem cikti=2009-07 -Hollandadayim=2009-07 -Oturum kartimi aldim=2009-07 -OkuL icin bekliyooorrrrrrrruuuuuuuuuuuuummmmmmmmmmmmmmmm ......
|